Pasen in gedichten

Wanneer je deze pagina leest, is het Paasfeest voorbij. De week, die men nog altijd met dit prachtig gekozen woord “de Goede Week” noemt, is binnen onze federatie en onze Sint-Pius X-parochie intens, sereen, gedragen en liturgisch uitermate verzorgd, verlopen. Wegens redactionele redenen (drukkerij) is het niet mogelijk in dit nummer, daar verslag van uit te brengen. Volgend nummer komen wij met woord en beeld terug op “onze” Paasweek.
Wij bieden jullie echter “iets” anders aan. De Vlaamse en Nederlandse poëzie heeft prachtige gedichten aangereikt over het sterven en verrijzen van Christus Jezus. Wij brengen hier een woordcollage. Gekozen vanuit een eigen persoonlijk gelovig gevoel. Laat Pasen nog eens “poëtisch” openbloeien in jullie hart en herinnering. Een religieus-souvenir van Pasen 2008.

De schemering gaat beginnen - De Steen - Pasen - De Verrezen Christus - Pasen, Pasen - Libera nos, Domine

De schemering gaat beginnen

De schemering gaat beginnen.
Zij staan bijeen geschaard
waar bleek in het witte linnen
hun dode ligt opgebaard.

Nu zijn gelaat en zijn leden
gebet en gewassen zijn,
nu is hij blank van vrede,
nu blijft er geen zweem meer van pijn.

De specerijen geuren.
“’t Is tijd”, zegt zacht een stem.
Tedere handen beuren
de baar en dragen hem

met innig voorzichtige schreden
omlaag, de heuvel af.
De stille stoet daalt mede
naar het nieuwe, koele graf.

Zij dragen hem daar binnen.
Als zij, laat, huiswaarts gaan,
zien zij met stille zinnen
de maan van Pasen staan.

Gerard Wijdeveld

De Steen

Alles krijgt klaarder stem. De bomen
zeggen: wij groeien op naar de nieuwe
aarde, naar onze schaduw
over het Lam.

De vogels zeggen: wij trekken wiekend
de winter voorbij naar het eeuwige
voorjaar, naar ons hooglied
in Sion.

De velden zeggen: wij zijn geboorte,
voren van pijn, ploegsneden van
het ontzaggelijke baren
der schepping.

De mensen zeggen: wij zijn overal
onderweg, overal voorgevoel
over stervensdorst heen naar
het leven water.

Mijn hart zegt: kom in mijn hart,
mijn ogen zeggen: spring in mijn licht,
mijn handen zeggen: maak mij los,
ik wil bidden.

En God zegt: nog staat mijn kruis
op de berg, nog is mijn graf
gesloten, wentel in Gods naam
je steen van Mij weg.

Gabriël Smit

Pasen

Dit zeg ik
aan een stad vol open kinderen,
aan de harde gevels van altijd,
aan de blinden, d.w.z. aan allen:

er is weer adem voorradig,
geen keizer kon verhinderen
dat alles spreekt bij monde van een dode;
een steen is van een graf gevallen,
aldus Lukas en de anderen.

En ik een mogelijke bode
verrijzend uit een wereld van getallen,
ik plots een bruikbaar lied,
een eigenhandig alleluia.

In achterbuurten breek ik broden,
verzamel de kinderen van de hoop,
predik de onmogelijke liefde.
Ik voorspel het einde der wijzen,
de aanvang van een zachte revolutie.

Dat heet ik het uur van Pasen.
Dat heet ik verrijzen.

Jan Veulemans

De Verrezen Christus

Christus
Zou ik enkel zijn gekomen
om u mijn wondetekenen te tonen
nu ge mij gedurig ziet
en, met geslóten ogen,
mij niet meer missen kunt noch mij verliest ?
Maria
Vóór de geboorte, en ik droeg u reeds maanden,
of ik liep of in de boomgaard lag te slapen,
altijd waren wij één en samen, ach;
en nu kan ik u zelfs niet met mijn lippen raken
om te proeven op u de nood van het graf.
Christus
Warm en goed vlijde ik mij in u neder,
tot uw ijdelheid verbleekt was in uw bede,
ja, tot gij àl de pijn van mijn roepen hadt gevoeld.
Maar nu gaapt er tussen ons mijn rood verleden
sinds het stilstaan van mijn bloed.
Maria
Neen, niet alles en gans kan ik uitzeggen:
voeten en handen, schouders en hoofd in mijn armen,
wat zij zijn geweest voor mij, o mijn zoon.
En onder de mensen rest me nog één groot verlangen
- het Avondmaal van Wijn en Brood.
Christus
En als ge mijn lichaam eet, o mijne moeder,
en ik daal binnen u af en gij kunt mij proeven,
zoals ik, voor jaren in u ben gerijpt
- zal ik u telkens zo zeer beschaamd ontmoeten
omdat ge mij nog steeds beschreit?

Maurice Gilliams

Pasen, Pasen

Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de slag van
lerke en vinke,
nu de stem van
mense en dier !
Pasen, Pasen,
wijdt het vier,
wijdt het licht en
pint de lampen,
laat den versen
wierook dampen:
Hallelujah,
’t jok is af
van de dood en
van het graf !

Pasen, Pasen,
opgestanden
is de God, dien
boze handen
hadden aan het
kruis gedaan:
Pasen, Pasen,
vrij voortaan,
heeft Hij hout en
steen en ijzer
overwonnen,
die, Verrijzer,
Hallelujah,
één uit al,
leeft en immer
leven zal !

Pasen, Pasen,
dwaze mannen
dachten Hem in ‘t
graf te spannen,
met Pilatus’
zegelmerk:
Pasen, Pasen,
ijdel werk,
ijdel waken:
God almachtig
is verrezen
eigenkrachtig,
Hallelujah,
dóór den steen,
eer de zonne in
’t Oosten scheen.

Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de taal van
lerke envinke,
nu de taal van
mense en dier!
Pasen, Pasen,
wijdt het vier,
wijdt het licht en
spijst de lampen,
laat den blauwen
wierook dampen:
Hallelujah,
God is groot:
Overwinnaar
van de dood!

Guido Gezelle

Libera nos, domine!

De wind woei om het eenzaam huis
In ’t laatste avonduur;
Toen lichtte een vreemde de klink der deur
En zat bij ’t open vuur.

Ik dierf niet vragen wie hij was
En hij gaf teken noch taal;
En ik noodde hem niet, maar hij zat aan
Naast mij aan ’t avondmaal.

Mijn lippen trilden en in mijn hart
Laayde hittige haat;
Maar hij glimlachte en hief tot mij
Zijn bitterschoon gelaat.

En ‘k sprak en zei: Ik kèn u niet !
Wat, aan mijn haard, zoekt gij ?
Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand,
En brak het brood met mij.

En ik herkende…; ’s morgens vroeg
Is hij weer heengegaan…
Maar ’t laatste van dit bitter lied
Zal God alléen verstaan.

Geerten Gossaert