Kiemkracht: mijmeringen van een christen bij het begin van een nieuw schooljaar
Het schooljaar 2007-2008 is gestart. Telkens toch nog altijd een belangrijke
gebeurtenis, die niemand onverschillig laat.
Voor onze parochie wel een uitzonderlijk jaar. De Sint-Pius X-school is 50 jaar
jong. In volgende Kerk en Levens komen wij daar uitvoerig op terug.
Wij konden toch niet nalaten vooraf enkele christelijk-inhoudelijke mijmeringen
over onderwijs, scholen en vooral over katholieke scholen neer te schrijven bij
het begin van dit nieuwe schooljaar.
Die persoonlijk sluimerende gedachten werden sterk geïnspireerd door woorden van
Monseigneur Paul Van Den Berghe, die hij enkele jaren geleden uitsprak op de
pastorale conferentie van het Vlaamse katholieke onderwijs. Mogen zij voor onze
Piusgemeenschap bij dit jubeljaar van de school, een voorzet zijn om samen na te
deken over christelijk onderwijs en opvoeding. Ik zou bijna durven hopen om
“samen school te maken”.
Je ziet die sterren en kijkt naar iets wat niet meer is; wat je nu ziet, is de verleden tijd (C. Palmen)
Wij weten dat de geloofssituatie in Vlaanderen erg is veranderd. Bij onze leerlingen en studenten, bij ons onderwijzend personeel en soms zelfs bij de directies, is de waardering voor godsdienst, geloofsbeleving en lidmaatschap van de katholieke Kerk verre van algemeen. Wij ondergaan inderdaad in een versneld tempo een proces van secularisatie en de verleiding is groot om de oplossing te zoeken in een gewone aanpassing: ‘Geef aan geseculariseerde jongeren een geseculariseerd geloof, maak van uw feitelijk pluralistische scholen dan maar echte pluralistische scholen’. We horen dergelijke stemmen steeds meer, buiten en ook binnen onze eigen gelederen. Dit zou natuurlijk het einde van het confessioneel onderwijs kunnen betekenen en de vraag is ook of aanpassing het adequate antwoord is op de situatie.
Je zult nu alles doen wat ik je vraag te doen, maar ik zal je niet vragen iets te doen wat je niet wilt (Salman Rushdie)
Het christelijk realisme verplicht ons, ook in geweten, rekening te houden met de situatie, maar er bestaat een verschil tussen nuchter en eerlijk rekening houden met een situatie en zich gewoon neerleggen bij een situatie en alleen aanbieden wat de directe vraag is. Dat doet men toch nooit in een pedagogische situatie. Waar men een tekort merkt, daar creëert men een nieuwe gevoeligheid voor wat ontbreekt. Aan geseculariseerde jongeren willen wij aldus opnieuw de honger naar en de gelukzaligheid van het geloof in Jezus Christus bieden. Aan een pluralistische generatie willen wij de mogelijkheid bieden om te ontdekken hoe vanuit het christelijk geloof alles zijn plaats kan vinden en hoe dat aan het versnipperde bestaan een heilige eenvoud kan schenken. We geloven dat ook de mensen van vandaag Jezus Christus en zijn evangelie nodig hebben en we willen dat aanbod naar waarheid geven met de volle kracht die het eigen is. Geen afgekookt en zoutloos christendom, maar een geloof dat smaak heeft en kracht. Om de waarheid van het christendom gaat het ons en zo ook om de waarheid van onze identiteit als christelijke school.
Vrienden, laat die verduisterde kamer achter u, waarin het daglicht wordt verguisd (Goethe)
De ijver voor onze identiteit mag evenwel niet omslaan in zelfverheerlijking en minachting voor de anderen. Dat geldt ten overstaan van het niet-katholiek onderwijs, maar even goed voor andere scholen en inrichtende machten van ons eigen net. Het zij verre van ons, om vanuit onze overlevingsdrang of onze neiging om steeds groter te worden, in een kleingeestige concurrentieslag elkaar te gaan bestrijden. Integendeel, wij zijn meer dan ooit geroepen tot solidariteit tussen scholen en inrichtende machten.
Op het moment dat het ons niet meer kan schelen hoe de ander ons ziet, houden we niet meer van hem (Kundera)
Dit denken aan anderen moet ons ook leiden in de moeilijke problematiek van
de toegang tot onze scholen voor niet-gelovigen, andere christenen of moslims.
Wij moeten onze christelijke en katholieke identiteit daarom niet opgeven,
integendeel. Maar we moeten de moed hebben om dit eerlijk en respectvol te
zeggen aan ouders of leerlingen. Als zij akkoord gaan om ons opvoedingsproject
en ons schoolreglement te aanvaarden, mag een school zulke leerlingen niet
weigeren. We mogen geen bijkomstige voorschriften of regelingen gebruiken om
zulke kandidaat-leerlingen uit onze scholen weg te houden. Als men hen aanneemt,
moet men hen ook respecteren en moet men opkomen voor hun welzijn in onze
scholen. Waar dat gebeurt, zitten we fundamenteel goed, al kunnen we niet altijd
met zekerheid zeggen wat van daaruit de concrete toepassingen zijn.
Willen wij echt christelijke scholen hebben, dan mogen en moeten zij missionair
bezielde scholen zijn, waar men Christus en zijn evangelie aanbiedt als bron van
leven. Maar goede en wijze missionarissen zoeken ook naar een evenwicht tussen
ijverig getuigenis en onbaatzuchtige dienst aan de anderen. Het is en blijft een
delicate weg, maar ook een heerlijke weg waarover Gods zegen hangt.
Als ik een godsdienst zou stichten, dan zou ik de godsdienst van de feilbare mens ontwerpen (György Konrad)
Wat onze scholen nodig hebben en wat God van ons vraagt, is geen kleinigheid.
Het zou zelfs een wonder kunnen genoemd worden want hoe kunnen mensen zoals wij
allen zijn, totaal onbaatzuchtig dienen zonder zich meester te maken van de zaak
? Hoe kunnen zij opkomen voor hun eigenheid en hun specifieke traditie en toch
een gedurfde solidariteit beleven met anderen ? Hoe kunnen zij missionair
getuigend zijn en toch vol teder respect voor andersdenkenden ? Hoe kunnen zij
enthousiast een verantwoordelijkheid blijven opnemen voor scholen waarvan de
toekomst onzeker is ? Hoe kunnen zij mild en barmhartig blijven, waar alles naar
een harde juridisering stuwt ? Hoe kunnen zij rechtop blijven midden zoveel
zorgen ?
Ja, zonder overdrijven kunnen wij zeggen: ‘Dit is een wonder!’ Maar zie, wij
leven van wonderen, van de wonderen van God, meer dan wij denken. En zo moge het
ook zijn en blijven, tot zegen voor allen.