Geschiedenis van de Sint-Elooiskerk

Vóór de oprichting van de Sint-Elooisparochie maakte Overleie deel uit van de parochie Onze-Lieve-Vrouw. Reeds in de veertiende eeuw bestond er op Overleie een broederschap, gesticht met als doel de verering van de populaire heilige Eligius of Sint-Elooi. In 1366 keurde de bisschop van Doornik de stichting goed van een gasthuis met bidplaats. Aanvankelijk bevond de bidplaats zich in het gasthuis zelf, later (eind 14e of begin 15e eeuw) werd er een afzonderlijke kapel gebouwd. Het gasthuis en de kapel bevonden zich buiten de stad, op de plaats van de huidige kerk.

Volgens het Liber Memorialis van de parochie was de Sint-Elooiskapel op het einde van de negentiende eeuw "ingesloten in de rij der andere huizen, een dubbele spitsboog met daarboven een gelijkvormig raam met groene loodvensters, een spitse geveltop met middenin een uurwerkkast met dubbel aangezicht dat rechts en links keek, maar zo versleten, dat wanneer een zware wagen voorbijtrok de beide wijzers naar beneden vielen: het was 6 1/2 u. te midden van de voormiddag!" Het grote eikenhouten beeld van Sint-Elooi en de beelden van Sint-Joachim en Sint-Anna in de huidige kerk zijn afkomstig uit de Sint-Elooiskapel. Ook het tabernakel en het klokje van de kapel werden bewaard en bevinden zich achter het hoogaltaar. De kapel bezat ook een prachtige renaissance-preekstoel die bij de afbraak van de kapel aan het museum van Kortrijk werd afgestaan, maar verloren ging bij de brand van 1944.

In 1873 telde Kortrijk al ongeveer 27000 inwoners en besloot het stadsbestuur een vierde parochie op te richten (naast Sint-Maarten, Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Rochus). De Overleienaars stuurden een verzoekschrift naar de gemeenteraad om van hun wijk een nieuwe parochie te maken en in 1875 ging de gemeenteraad hierop in. Er werd meteen een commissie opgericht die het bouwen van een nieuwe kerk moest voorbereiden. Op de eerste plaats werd gezocht naar een geschikte locatie voor de te bouwen kerk. De commissie opteerde voor de gebouwen en grond van de Burgerlijke Godshuizen. De Burgerlijke Godshuizen waren niets anders dan het vroegere gasthuis met kapel, waarvan het bestuur tijdens de Franse bezetting was overgedragen aan de burgerlijke overheid. De gebouwen waren verhuurd aan de Broeders der Goede Werken, die vanaf 1890 Broeders van O.-L.-Vrouw van Lourdes-Oostakker genoemd werden. Andere locaties die in aanmerking werden genomen waren: de meisjesschool op het einde van de Overleiestraat (waar nu de ingang van het Astridpark is), het voormalig Rekollettenklooster en het gebied tussen de Kapelstraat en de Koekstraat (een deel van de huidige Sint-Amandslaan). De gemeenteraad besliste het terrein van de Burgerlijke Godshuizen en een perceel ernaast te verwerven. De stadsarchitect Leopold De Geyne werd aangesteld om de plannen van kerk en pastorie te ontwerpen. Hij ontwierp een kerk in neogotische stijl. Er was ook voorzien in het bouwen van een voorlopige kerk.

Op 26 september 1877 verscheen de stichtingsakte van het bisdom en werd de parochie dus officieel opgericht. De aangekochte gronden werden aan de kerkfabriek overgedragen. Op dat ogenblik had de architect zijn dossier al klaar, maar het zou nog vijf jaar duren eer de eerste steen van de nieuwe kerk kon worden gelegd. In afwachting van de nodige goedkeuringen voor de bouw van de nieuwe kerk werd de voorlopige kerk opgericht in de Kapelstraat en ingewijd op 27 oktober 1878. De bouwvergunning van de kerk liet zo lang op zich wachten dat de kerkraad zelfs besloot een verzoekschrift aan de koning te richten. De minister van justitie, bevoegd voor de eredienst, liet weten dat de ligging van de kerk werd afgekeurd en dat de voorziene uitgave voor de uitoefening van de eredienst in dit stadsdeel niet verantwoord was. Na een tweede verzoekschrift, waarin erop gewezen werd dat de grond reeds verworven was, bevestigde de minister de weigering, maar er werd gewezen op de mogelijkheid om toch een vergunning te verkrijgen indien werd afgezien van een staatstoelage.

Het stadbestuur verklaarde zich akkoord om het staatsaandeel bij te passen, maar stelde enkele voorwaarden. De uitgaven, en dus ook de werken, moesten in de tijd gespreid worden, er werd afgezien van de bouw van de pastorie en het kerkmeubilair moest door de inwoners van Overleie zelf worden bekostigd. Daarmee waren alle administratieve hinderpalen uit de weg geruimd, maar het duurde toch nog tot 6 juni 1882 eer het koninklijk besluit verscheen, dat de aanvang van de werken toestond. Op 22 oktober 1882 werd de eerste steen gelegd. Deze steen was oorspronkelijk in de muur achter het hoogaltaar ingemetseld en bevindt zich sinds 1973 links in het koor. De Latijnse tekst op de steen luidt in letterlijke vertaling:

Onder Paus Leo XIII
Bisschop Joh. Jos. Faict
Deken Car. Roets
Burgemeester Henri Nolf
Legde deze eerste steen
Leo Van de Walle, eerste pastoor alhier
22 Oktober 1882
Leop. De Geyne, architect Kortrijk.

De nieuwe kerk werd op het feest van Sint-Elooi, op 1 december 1884, ruim twee jaar na de eerstesteenlegging, plechtig ingewijd door Mgr. Faict, bisschop van Brugge. De kerk was echter nog niet af. In 1886 ging het stadsbestuur over tot de aanbesteding van het tweede deel van de werken. Deze bouwfase duurde tot begin 1887. In een derde fase kwamen het klokkenhuis en de torenspits aan de beurt. Op 9 november 1891, negen jaar na het begin van de werken, was de kerk volledig af. Wel ontbraken nog de klokken, die pas in 1894 werden geplaatst en ingezegend.

Het zou maar enkele jaren duren eer er opnieuw aan de kerk moest gewerkt worden. Kort na de afwerking van het gebouw ontstonden er immers barsten in muren en gewelven en deden er zich verzakkingen van de vloer voor. Blijkbaar waren reeds tijdens de werken twijfels gerezen over de stabiliteit, want in de eerste bouwfase had men al bijkomende werken aan de fundamenten uitgevoerd. Toen de toestand in 1902 verergerde, gaf het stadsbestuur aan de stadsarchitect en bouwmeester van de kerk, Leopold De Geyne, de opdracht een onderzoek in te stellen. Architect Carette werd aangesteld voor de herstellingswerken. Deze laatste stelde voor om de gewelven af te breken en te vervangen door "dakschindels" (dakspanen). Architect De Geyne vond dit overdreven en oordeelde dat het voldoende zou zijn om de barsten te stoppen en ankers te plaatsen.

Om uitsluitsel te krijgen stelde het schepencollege drie nieuwe deskundigen aan. Zij wezen de slechte bodemgesteldheid en onvoldoende fundering aan als oorzaken van de problemen. Zij adviseerden de scheuren op te vullen, de fundamenten te verstevigen en een stoep omheen het gebouw aan te leggen zodat het water zover mogelijk van de funderingen werd gehouden. Terwijl de herstellingswerken in 1904 aan de gang waren, werd ook nog ir. A. Vierendeel aangesteld om een verslag te maken over de toestand van de kerk. Hij was professor aan de Leuvense universiteit en hoofd van de provinciale technische dienst. In zijn verslag vermeldde hij dat de kerk gebouwd is op moerassige grond en dat de fundamenten gemiddeld niet dieper zijn dan drie meter. De verzakking, die begon na de afwerking van de kerk, duurde op dat ogenblik nog steeds voort. Ze deed zich voor over de hele oppervlakte van het gebouw, want er was geen overhelling van muren, zuilen of toren. De barsten in de muren leverden geen gevaar op, maar de ontwrichting van de gewelven wel. Ir. Vierendeel verklaarde zich akkoord met de reeds uitgevoerde werken, maar het gewelf van de middenbeuk diende nog verzekerd te worden. Boven het gewelf moest een geraamte van traliewerk worden aangebracht. Het bestaande gewelf moest eraan vastgemaakt worden met ijzeren staven die vastzitten in de voegen van de stenen van het gewelf. Daarna moest alles opgevuld en bedekt worden. Deze herstellingswerken werden beëindigd in 1905. De deskundigen hebben de toestand goed ingeschat want er kwam een eind aan de verzakkingen en een eeuw later staat de kerk nog altijd onwrikbaar op haar plaats.