Federale kroniek - 26 maart 2008
GROEIEN IN GELOOF
Goede mensen van onze parochie Sint-Pius X, goede mensen van onze
parochie Sint-Elooi, goede mensen van onze federatie Sint-Amandus,
Net vóór de goede week hadden we een mooie federale
verzoeningsviering in de St.- Elooiskerk. We hoorden hoe Jezus in
het evangelie vissers roept om twee aan twee de Blijde Boodschap van
het Rijk Gods uit te dragen. We kregen allemaal persoonlijk de kans
om de snaren van ons hart weer te stemmen met de grote melodie van
Gods droom voor ons allen. We mochten bij een priester de
barmhartige liefde van Gods vergeving ontvangen. Op het einde van de
viering merkten we dat de netten van de vissers goed hersteld waren
want ze konden de vormelingen, die talrijk aanwezig waren, met veel
gemak dragen. Hartelijk dank voor jullie talrijke opkomst!
Hierbij is het goed om een dankwoord uit e spreken aan allen die in
de goede week hebben geholpen zodat we Jezus konden ontmoeten in de
verschillende liturgische vieringen in de 3 kerken. We hadden met
vele medewerkers de intentie om er een week van verdieping van te
maken en het is dat ook geweest als we luisteren naar de reacties
van zij die op een of andere wijze hebben deelgenomen aan de
‘heilige week’. In de komende editie kan je één en ander hiervan
zien.
De paastijd die nu aanbreekt kan een nieuwe start zijn voor onze
manier van Kerk-zijn zoals we in het verrijzenisverhaal van Jezus
ontdekken. Samen met jullie wil ik even stilstaan bij Maria
Magdalena op Paasmorgen. Zij was de eerste die getuige was van
Jezus’ opstanding. Michel van der Plas schrijft in zijn boek ‘En het
woord was bij God’ vanuit de figuur van Maria Magdalena. Hij leeft
zich in haar gedachten in, wij laten hem hier aan het woord:
‘Toen al de andere waren heengegaan – ik zag ze bij de tuinmuur in
de verte nog redetwisten en verwoed gebaren – scheen het stiller dan
ooit. Ik besefte opeens dat ik alleen was. De angst om de geboorte
van de bleke dag te storen, had de krekels zelfs gevangen. Zo stil
en weifelend rees het licht, dat bomen grijparmen werden en bloemen
valse ogen. En ik moest zelf een smalle kaars geweest zijn, daar in
de dunne mist, bij ’t lege graf.
En de twee mannen die in witte kleren plotseling voor mij stonden
schenen beelden uit een oud geheimzinnig speelliedje en maakten mij
weer tot een kind. En juist als in dat spel van vroeger hield ik
beide handen tegen mijn gezicht gedrukt en schreide wat ik vroeger
had gezongen: Waar hebben ze mijn meester neergelegd?
Ik was een schreiend kind. Ik moest maar weggaan voordat ze zouden
lachen om mijn dwaasheid zoals alle anderen. En ik keerde mij om en
veegde met mijn mouw mijn tranen weg, toen ik de tuinman zag. Hij
stond er zo gerust en groot. Het was alsof ik niet alleen meer was
toen hij naar me keek. Alsof het graf achter mijn rug niet meer
bestond: niet meer als een leegte, als holle angst.
En of een leeuwerik opschoot in zijn stem: Maria!
Zo vaak heb ik dat al verteld. Met Pasen hoor ik hem mijn naam weer
zeggen. Om het brood dat jij nu in je handen houdt en mij te eten
geeft, zijn lichaam is, zijn leven. Hou me niet vast zei hij me nog
in de tuin. En zie: nu komt Hij zelf om mij weer naar zich toe te
trekken en vast te houden. O ik weet het wel, ik kan niet zeggen wat
ik zeggen wil vandaag. Maar ik ben een kaars die brandt van glorie
en ik ben zo gelukkig. Want zijn leven is in mijn leven en dit witte
brood, o deze liefde is sterker dan de dood.’
Zalig Paasfeest !
Met de beste groeten van de pastoors, de diakens en alle
medewerkers.
HET LICHT VAN PASEN: TE VERWACHTEN
Het was te verwachten o God,
want zo’n mens
één zo sterk in liefde
zo vaardig in recht,
zo bedreven in vrede.
Natuurlijk richt Gij Hem op.
Een levende was Hij en een levende blijft Hij.
Wie zo leeft, leeft voorgoed.
Het was te verwachten o God,
trouw zijt Gij aan wie de wet vervult.
Trouw tot aan de dood, tot over de dood heen.
Adam is Adam,
een gezegende een gezegende.
Te verwachten.
Maar wie verwachtte het?
Hans Bouma